| DOOIE HELD | ||
of..Liever Een Levende Lafaard.... archives Meld Uw Held DEN HELD! 2/02/2002 Joseph Pascoal: "Op 24 april 1951 stonden we op de kade in Rotterdam. We werden ontvangen door sergeant majoor Aponno, daarna gingen we naar het kamp in Staphorst. Nee, slecht behandeld zijn we niet, maar op de eerste dag zijn we al ontslagen uit het KNIL. Ik heb mijn brief verscheurd. Ze hebben ons bedonderd. Onze rechten als militair waren afgenomen. Veel van mijn broeders en zusters zijn overleden, niet alleen van ziekte, maar ook van hartzeer." Crams Nikijuluw: "Als kind hoorde ik alleen maar heldenverhalen. Woorden die ik me kan herinneren zijn: 'mitrailleur, tommygun, in de aanval gaan, rode halsdoeken... Kogels hebben ogen, je wordt niet zo maar geraakt. Als je strijdt voor een goede zaak, dan ga je niet zo maar dood'. Onze vaders hebben veel meegemaakt. Alles voor God, Koningin en Vaderland. Thuis stond de kist met kleding altijd klaar voor een terugkeer naar de Molukken. Mijn moeder had daarin een portret van de koningin gedaan, uitgeknipt uit De Spiegel, netjes ingelijst. Men was heel erg trouw, ondanks dat Nederland hen bedonderd had." Spoedig blijkt dat het verblijf minder tijdelijk is. Een terugkeer naar de Molukken zit er door de gespannen verhoudingen met Indonesië niet in. In het begin van de jaren zestig verhuizen de Molukkers van hun kampen naar speciale woonwijken, waarvan er in heel Nederland 65 verrijzen. posted by Dr.D 6:17 AM Zwijg, onverlaat, nu zal meteen Mjolnir de mond je snoeren; Ik sla van je hals Je schouderrots(het Hoofd), zo zul je het leven laten. Ik sprak voor Azen(de Goden), ik sprak voor Azinnen, wat mij ingaf mijn geest, maar terwille van jouw ga ik nu maar weg, want ik weet dat je werkelijk slaat. posted by Dr.D 6:16 AM Een manke kan rijden, een verminkte hoeden, een dove deugt in de strijd, beter is blind dan verbrand te zijn: een dode is niemand nut. ~ Het Lied van de Hoge (Hávamál) Broeders bestrijden, verslaan elkander; bloedverwanten bloedschande plegen; overspel heerst op heel de aarde, speertijd, zwaardtijd, schilden splijten! windtijd, wolftijd, eer de wereld vergaat; geen enkel mens zal de ander sparen. ~ De Voorspelling der Wolwa posted by Dr.D 5:58 AM 2/01/2002 Het mooie meisje Medusa laat zich verleiden door Poseidon, de god van de zee. Hij vergrijpt zich aan haar op het altaar van de godin Athene, die zich hierdoor zwaar beledigd voelt. Athene zint op wraak en verandert het meisje in een lelijk monster. Poseidon bezorgt Medusa de 'dodelijke blik' en zij kan niet anders dan haar dagen verder in eenzaamheid slijten. Dan verschijnt Perseus. Hij is gekomen om Medusa te doden en haar hoofd mee te nemen als teken van zijn kracht en zijn heldenmoed. Maar wanneer de twee tegenover elkaar staan wordt het stil. Het verschil tussen het monster en de held lijkt ineens niet meer zo groot. De paar seconden die Perseus en Medusa tegenover elkaar staan vormen het uitgangspunt van de voorstelling. Beiden zijn overtuigd van hun eigen lelijkheid en nietigheid. Beiden vol hartstocht en twijfel. De vraag die ze zichzelf stellen is simpel: 'zal ik de aanblik van de ander kunnen verdragen?' posted by Dr.D 5:19 AM 1/29/2002 Wij voerden enkel onze taak uit." TURNHOUT. - 'Enkel wanneer mensen mij aan het voorval doen denken', antwoordt eerste wachtmeester Luc Martens als ik hem vraag of hij nog veel aan de heroïsche reddingsactie van zijn collega Paul Peeraer en hemzelf denkt. 'Daarbij',vervolgt hij, ?op het moment zelf hadden we ook geen tijd om te denken, we moesten iets ondernemen voordat het te laat was.' [Eerste wachtmeester Paul Peeraer (links) en eerste wachtmeester Luc Martens beschouwen zichzelf niet als helden.] Een vrachtwagen die met een snelheid van 90 kilometer per uur op een rij blokrijdende personenwagens inrijdt, betekent een ware ramp met dodelijke gevolgen. Deze gedachte spookte ook door de hoofden van eerste wachtmeesters Paul Peeraer en Luc Martens toen ze op 19 april 1996 omstreeks 14 uur een ongewoon bericht op het bureel van hun eenheid ontvingen. Er reed een vrachtwagen met aanhangwagen op de E 34 te Ranst richting Nederland. Hij had zijn snelheid niet meer onder controle en kon deze ook niet minderen. De twee rijkswachters van de provinciale verkeerseenheid te Turnhout besloten een reddingsactie te ondernemen. Deze actie moest snel gebeuren, omdat op Nederlands grondgebied wegenwerken aan de gang waren en het verkeer daar slechts over één rijstrook kon beschikken. Als de operatie niet snel genoeg werd uitgevoerd, konden er wel eens tientallen doden te betreuren zijn. Het plan op zich leek simpel, er werd geopteerd voor het doorsnijden van de brandstoftoevoer. De uitvoering ervan was iets moeilijker. De vrachtwagen reed aan een snelheid van 80 à 90 kilometer per uur, dus moesten de rijkswachters even snel rijden en vooral even recht. Eerste wachtmeester Peeraer hield zijn rechtervoet op het gaspedaal en hing met zijn bovenlichaam uit het zijraampje van het dienstvoertuig. Ondertussen moest eerste wachtmeester Martens het stuur vastnemen en de auto langszij de vrachtwagen brengen. De twee mannen voerden hun operatie uit op risico van eigen leven, één kleine stuurfout zou fataal geweest zijn. Pas na enkele kilometers en meerdere pogingen in die benarde positie had hun actie succes. De leiding was doorgesneden en tegelijkertijd had de vrachtwagenchauffeur enkele zekeringen in zijn cabine weten door te knippen. De vrachtwagen kwam tot stilstand op de helling van de afrit van Retie en een ramp werd vermeden. Voor hun heldendaad kregen beide eerste wachtmeesters de zilveren medaille van het Carnegie Hero Fund toegekend. Het fonds is opgericht door de Amerikaanse filantroop Andrew Carnegie. Hij schonk in 1911 een kapitaal aan België, waarvan de opbrengst moest gebruikt worden ter beloning van vreedzame heldendaden door het toekennen van eervolle onderscheidingen. Deze medaille werd hen samen met het diploma op 10 september 1998 officieel overhandigd door kolonel Demessemakers van de groep commando te Antwerpen. Wij gingen praten met deze opmerkelijke personen over het leven, twee jaar na een heldendaad. Paul en Luc beschouwen zichzelf niet als helden, alhoewel ze wel zo door hun omgeving worden aangezien. De twee rijkswachters geven eerlijk toe dat ze er simpel, let wel: niet ongevoelig, onder gebleven zijn. Het is vooral de omgeving van familie, kennissen en collega?s waar het voorval sporadisch nog ter sprake komt. De collega?s maken er soms grapjes over en spreken de waaghalzen dan ook regelmatig aan met held. Maar dat is dan wel op een sarcastische manier bedoeld, en dat weten Luc en Paul gelukkig ook. «Eigenlijk denken we er alleen maar aan terug als ze ons eraan doen denken of als we bijvoorbeeld de naam van de chauffeur ergens opvangen». «Op de dag van de oproep zaten wij op kantoor toen we het bericht hoorden op onze radiopost.» De twee mannen twijfelden geen moment om naar de plaats te rijden waar de losgeslagen vrachtwagen gesignaleerd was. «Je moet er toch naartoe, het is deel van het werk waarvoor je gekozen hebt », redeneren de twee eerste wachtmeesters nu nog steeds. «Tijdens de actie zelf heb ik niet één keer gedacht dat het ons niet ging lukken», vertelt Luc. «Dit wil niet zeggen dat ik niet enthousiast en tevreden uit de dienstwagen ben gestapt na onze actie. Maar ik moet wel kwijt dat ik meteen na de actie de schade ben gaan opmeten aan de dienstwagen en de vrachtwagen. Gelukkig was er niets aan.», vertelt hij verder. «Ik, langs de andere kant, heb me vooral bezig gehouden met de vrachtwagenchauffeur.», zegt Paul. «Die man was zo hevig aangedaan door het voorval dat hij wel enkele woorden van steun kon gebruiken, eer hij terug in een cabine kroop». Voor de PVE-ers was de actie afgelopen en het liep ook tegen het einde van hun dienst aan. Ze keerden terug naar hun kwartier en namen afscheid van elkaar.«We zijn gewoon terug naar onze eenheid gegaan en hebben een kop koffie gedronken.» «Op de dag van de reddingsactie beseften we nog niet helemaal wat er zo speciaal was dat we gedaan hadden. We voerden immers gewoon onze taak uit, het verzekeren van de veiligheid op de baan», vat Luc samen. ?s Avonds werd Luc al telefonisch om commentaar gevraagd door Radio Antwerpen, wat hem zeer verbaasde. Maar ?s anderdaags was de verrassing nog groter toen er al felicitaties van de rijkswacht op hun bureaus lagen.«Ook de rijkswachttop reageerde en gaf ons een vermelding op dagelijks order plus een dag verlof», zegt Paul met een glimlach. De televisie liet het thema ook niet koud worden. «Zo komt het dat wij in het programma «Eén uit duizend» op VTM en «Helden» op VT4 mogen optreden», vertelt Paul. Er volgden nog ettelijke interviews met Belgische weekbladen, totdat ze de materie moeverteld waren. Er is al genoeg verschenen om een hele knipselkrant samen te stellen, wat Luc dan ook gedaan heeft. Verrast Wat de twee rijkswachters echter het meest verraste waren de vragen die ze kregen van bedrijven zoals Atlas Copco en de VDAB. Zij polsten om te horen wat er was misgelopen met de koppeling van de vrachtwagen. Ze deden dit opdat zulke uiterst gevaarlijke situaties zich niet meer zouden voordoen. Maar ook het commando zat niet stil. Zij vroegen in Antwerpen de hoogste onderscheiding van België aan. Luc en Paul geven zonder enige schroom toe dat dat hen zeker geraakt heeft..Nu nog laten de mannen trots hun medaille zien. Het is een zilveren kunstwerk aan een lint met de kleuren van de Amerikaanse vlag. Langs de achterzijde zie je de naam van de bezitter gegraveerd staan. «Ik vind nog steeds dat ik mijn taak heb gedaan en dus eigenlijk beschouw ik me niet als held», vertelt Luc. Maar het moet toch fijn zijn om te weten dat je meer gerespecteerd wordt en er zelfs naar je opgekeken wordt na het tot een goed einde brengen van zulk een gevaarlijke en spectaculaire opdracht. posted by Dr.D 8:38 PM Goya, "Een grote heldendaad! Met doden! Ets uit Los Desastros de la Guerra, 1812-15. Goya, "Een grote heldendaad! Met doden! Ets uit Los Desastros de la Guerra, 1812-15. posted by Dr.D 8:32 PM Het verhaal: In het zonnige Bragalia, het land van romances en avonturen, kiest het Noodlot nieuwe poppen voor het spel dat zij zal spelen en in Londen brengt hetzelfde Noodlot avonturen in het leven van Peter Wells, een klerk van de firma Mantilles, makelaar in fruit te Covent Garden Market en Bragalia. Aan het hof van Bragalia viert het vermaak hoogtij en de oude koning lacht en zoekt naar genot, terwijl zijn volk sterft. Sinds de geheimzinnige verdwijning van hertog Carlos, de erfgenaam van de troon, is de toestand van kwaad tot erger geworden en tenslotte staat het zo dat er een revolutie zal uitbarsten. Abraham Simel, de leider van de Revolutionaire Partij, vertelt kapitein Faroa dat 's konings buitensporige uitgaven Bragalia zullen ru·neren. Faroa, verontwaardigd over 's konings gedrag, sluit zich bij de revolutionairen aan. Raoul Pablo, het hoofd van de politie, is naar Londen gezonden om te onderzoeken wat er waar is van het gerucht dat er een aanslag op het leven van de koning zal worden gedaan. Hij laat zijn dochter Camille, op wie Faroa verliefd is achter, toevertrouwd aan de zorgen van de abdes van de kloosterschool die zij juist verlaten had. Er vertrekt nog een reiziger van Bragalia Londen, Pranco, een officier die in verband naar staat met de Revolutionaire Partij en jaloers is op de populariteit van kapitein Faroa. Ook hij is verliefd op Camille. Hij volgt Pablo, wil zijn papieren bemachtigen en verwondt hem. Peter Wells, die langs de plaats des onheils fietste, helpt de ongelukkige man naar huis en deze, die de eerste dagen niet in staat is om te werken, besluit Wells met een boodschap naar de koning te zenden. Ondertussen is in Bragalia de revolutie uitgebroken en Faroa, die het rechtvaardige van hetgeen het volk wil, kan inzien, zendt zijn troepen te hulp. Wells wordt gezocht aan de grens, maar weet geheim te houden wie hij is, zijn papieren te verbergen en bevindt zich daardoor midden in de revolutie. Camille Pablo heeft op de kloosterschool gehoord dat Faroa een van de rebellen is en wil niets meer met hem te doen hebben. Pranco, die van Londen terugkeert, pleegt verraad en schiet de koning dood. Het klooster zal in brand worden gestoken en Wells gaat met een geestelijke Camille halen. Hij brengt haar in veiligheid op een boerderij waar Pranco haar komt zoeken. Ook Faroa treedt daar binnen, het gevolg is een duel tussen beide mannen, dat eindigt met Pranco's dood. Camille en haar vader willen echter geen van beiden meer iets met de overwinnaar van doen hebben wegens zijn revolutionaire neigingen. Zij vertrekken. Later onvangt Pablo een telegram van de volgende inhoud: 'Hertog Carlos, de rechthebbende erfgenaam van de troon van Bragalia, beveelt de heer Pablo hem de gevoelens van de adel en het volk kenbaar te maken'. Dadelijk worden voorbereidingen getroffen om de troonopvolger te ontvangen en groot is de verbazing als blijkt dat hertog Carlos en Faroa **n en dezelfde persoon zijn. Hij had indertijd het hof verlaten omdat het leven dat de koning leidde hem tegenstond. Het afscheren van zijn baard had hem onherkenbaar gemaakt. Pablo is nu niet langer tegen een verbintenis van hem met Camille en op het terras van het paleis vindt de kroning plaats van de nieuwe koning en de koningin van Bragalia. Peter Wells, terug in Londen, ziet in een bioscoop-theater de kroning op het witte doek. posted by Dr.D 8:28 PM Helden die schade oplopen, ontvangen vergoeding van maximum 2,5 miljoen Brussel -- Een particulier die lijf en leden riskeert om een persoon in gevaar te redden en daarbij schade oploopt, kan daarvoor voortaan een schadevergoeding krijgen van maximaal 2,5 miljoen frank (61.973 euro). De Kamer van Volksvertegenwoordigers keurt vandaag een wetsontwerp in die zin goed. Helden die schade oplopen, ontvangen vergoeding van maximum 2,5 miljoen posted by Dr.D 8:24 PM 1/28/2002 _Weet iemand hier de uitgang?_ posted by Dr.D 7:34 PM Karel ende Elegast vers 193 t/m 694 Hij was in vele gedochten, Waer hi best henen varen mochte, Daer hi stelens soude beghinnen. Doe quam hi in een wout binnen, Karel den edelen man, Dat niet van verre stont van daen. Doen quam gereden daer, Die mane scheen seer claer. Die sterren lichten aenden trone. Dweder was claer ende scone. Dus peynsde die coninc: Ic was gewone, voer alle dinck, Dieve te hatene daer icse wiste, Die den lieden mit liste Hoer goet stelen ende roven. Nu mach ik hem wel gheloven, Die leven bider avontueren. Si weten wel, dat si verbueren, Lijf ende goet, machmense vaen. Met doetse hangen ende thooft of slaen, Of sterven arger doot. Horen anxte is dicke groot. Nemmermer en ghevalt mi dat, Dat ic man doer cleynen scat, Sterven doe in al mijn leven. Ic hebbe elegast verdreven, Om cleyne sake uut minen lande, Die dicke set sijn lijf te pande, Om tgoet daer hi bi leeft. Ic wane, hi dicke sorghe heeft. Hi en heeft lant noch leen, Noch ander toeverlaet geen, Dan hi mit stelen can bejaghen. Daer op moet hi hem ontdraghen. Ic nam hem tlant des was hi heere, Dat mach hem nu wel rouwen seere, Beide borch ende lant. Des was ic herde onbekant, Want hi hadde in sine scaren, Die met hem onthouden waren, Ridders, serianten, een ghetal, Die ic heb onterft al, Beyde van lande ende van goede. Nu volghen si hem al doer armoede. Ic en laetse niewers gedueren. Die onthilde, ic daden verbueren, Beyde borch ende leen. Hi en hevet toeverlaet gheen. Hi moet hem al onthouden In wildernisse ende in wouden, Ende moet alleene bejaghen, Daer si hem alle op ondraghen. Mer so vele isser an: Hi en steelt gheen armen man, Die bi sijnre pinen leeft. Dat pelgrim ofte coepman heeft, Laet hi hem gebruken wel. Mer hi en versekert neymant el. Bisscoppen ende canoniken, Abden ende moniken, Dekenen ende papen, Daer hise can betrapen, Comen si in sijnre verde. Hi neemt hem mulen ende peerde, Ende steectse uut haren ghereyde, Dat si vallen op die heyde Ende neemt hem mit sijnre cracht, Al dat si daer hebben bracht: Silver, cleeder, facelment. Dus bejaecht hi hem omtrent, Daer hi die rike lieden weet. Hy neemt hem haren scat ghereet Beyde silver ende gout. Sine list is menichfout. Nyemant en cannen ghevaen. Nochtan heefter om ghedaen Menich man sine cracht. Ic woudic nu in deser nacht Sijn gheselle mochte wesen. "Ay heere god helpt mi tot desen!" Mit deser talen voer hi voort, Die coninc, ende heeft verhoort, Hoe een ridder quam ghevaren Inder selver ghebaren, Als die riden wil verholen, Met wapenen swart als colen. Swart was helm ende schilt, Die hi aenden hals hilt. Sinen halsberch mochtmen loven. Swart was den wapenroc daer boven. Swart was dors daer hi op sat. Ende quam enen sonderlingen pat Dwers riden doer den woude. Alsen die coninc ghemoeten soude, Segendi hem ende was in vare, Ende waende dat die duvel ware, Om dat hi was so swart al. Den riken god hi hem beval. Hi pensde in sinen moet: Ghevalt mi quaet ofte goet, En vlie te nacht doer desen. Ic sel der avonturen genesen. Nochtan weet ic te voren wel: Tis die duvel ende niemant el. Waer hi van gods halven iet, Hi en ware so swart niet. Tis al swart, peert ende man, Al dat icker aen gemerken can. Ic duchte dat mi toren naket. Ic bidde gode dat hi waket, Dat dese mi niet en scende. Ende als hi bet quam ghehende, Ende die swarte heeft vernomen Den coninc tegen teghen hem te comen, Pensde hi in sinen sin: Dese is verdoelt hier in Ende hevet sinen wech verloren. Ic mach dat aen hem verhoren. Hi salder laten die wapen sijn, Die die beste sijn in schine Die ic in seven jaren sach. Si verlichten als den dach, Van steenen ende van goude. Wanen quam hi in den woude? Ten was noyt arm man, Die sulcke wapen droech an, Ende sulc ors hadde bescreden, So sterc ende van scone leden. Doen hi quamen te gemoeten, Leden si al sonder groeten. Deen besach den anderen wel, Mer si seyden niet el. Als hi den coninc was leden, Diet swart ors had bescreden, Hitl hi stille ende dochte, Wie die ander wesen mochte; Waer om dat hi aldus lijt, Ende sijnre talen aldus vermijt Datti mi niet en groete Doen hi mi ghemoete, Ende om gheen dinc en vraghet. Ic wane dat hi quaet jaghet. Waer ic seker van dien, Dat hi quame om verspien, Datti mi ofte mine Brenghen wilde in pine, Teghen den coninc die ic ontrade, Hi en lede te nacht sonder scade. Wat node soude hi jaghen Achter bosschen ende haghen, Ofti mi niet en sochte. Biden heere die mi gewrochte, Hine ontrijt mi te nacht. Ic sel proeven sine cracht. Ic willen spreken ende kennen. Hi mach sulc sijn, ic sel winnen Sijn ors ende dat hi hevet an. Ende doen met lachter keeren dan. Hi es hier comen als een domme. Met dien werp hi sijn ors omme, Ende volchde den coninc naer. Doen hien achterhaalde daer, Riep hi lude: "Ridder ontbeyt. Waer na ist dat ghi rijt? Ic wil weten wat ghi soect, Ende jaecht ende roect, Eer ghi mi ontrijt van hier. Al waerdi noch so fier, Ende so diere uwe tale, Berechtes mi, so doedi wale. Ic wil weten wie ghi sijt, Ende waer ghi vaert op dese tijt. Ende hoe dat u vader hiet. En machs u verlaten niet." Doen antwoerde die coninc: "Ghi vraget mi so menich dinc. En wistu hoe berechten. Dan ic u seide bi bedwanghe. So haddic gheleeft veel te langhe, Dat mi een man dwinghen soude Van dinghen die ic niet en woude Berechten, ten ware mi lief, Coemter mi goet af of miskief. Wy sullen desen strijdt nu scheyden, Ende becorten tusschen ons beyden. Des conincs schilt van verdect, Ons teyken datter aene stoet. Hi en wildes niet voeren ontdect, Om teyken datter aene stoet. Hi en wilde niet dat men waer vroet, Dat hi ware die coninc. Si worpen omme met deser dinc, Haer orssen sterc ende snel. Si waren beyde ghewapent wel. Hare speeren waren sterc. Si versaemden in een perc, Mit sulcken nide onder hen tween, Dat dorsen bogen over haer been. Manlic vingen si ten swaerde Als die vechtens begaerde. Si vochten een langhe wile, Datmen gaen mochte een mile. Die swerte was sterc ende snel, Ende sine consten waren fel, So dat die coninc was in vare Ende waende dat die duvel ware. Hie sloech den swarten opten schilt, Dien hi manlic voor hem hilt, Dat hi in tween stucken vloech, Oft ware een linden loof. Die swarte sloech den coninc weder. Die swerde ghingen op ende neder. Opten helme, op die maelgien, Datter menich moeste faelgien. Daer en was halberch gheen so goet, Daer en dranc dore dat bloet, Doer die maelgien uuter huyt. Daer was van slaghen groot gheluyt. Die spaenderen vanden scilde vloghen. Die helmen op hoer hooft die boghen Ende ontfingen scarde ende vlegghen, Se scaerp waren der swaerden eggen. Die coninc pensde in sinen moet Dese is te wapene goet. Hi bringhet mi in sulken noot, Mine help God, ic blive doot. Sal ic liden mijns namen Ic souts mi eewelic scamen. Nemmermeer en gecreech ic eere. Doe sloech hi eenen slach so seere, Opten swarten die voor hem hilt, Dat hien nalic hadde ghevelt, Ende vanden ors tumelen dede. Tusschen hem beyde en was gene vrede. Ende die swarte sloech opten heere Ende sloech enden slach so seere, Opten hel dat hi booch, Ende tswaert in twee stucken vloech, So anxtelic was die slach. Als dat die swarte sach Datte sijn swaert hadde verloren: "Tfy dat ic ye was gheboren", Pensde hi in sinen moet: "Dat ick leve, waer toe ist goet? En hadde noyt gheval, Noch nemmermeer en sal. Waer mede sal ic mi verweeren? En prise mijn lijf niet twee peeren, Want ic ben ydelre hande." Doe docht den coninc scande, Op eenen te slane die voor hem helt. Doe sach hi liggen tswaert opt velt An twee stucken ghebroken, Doe pensdi: en is niet ghewroken, Die eenen wille slaen of deeren, Die hem niet en can gheweeren. Dus hilden si stille int wout. Haer ghepeyns was menichvout, Deen wie dander wesen mochte. "Biden heere die mi ghewrochte," Sprac karel die coninc, "Ghi en berecht mi een dinc, Heer ridder, des ic u vraghe, Ghi hebt gheleeft al u daghe, Hoe ghi hiet of wie ghi sijt. Ende laet ons corten desen strijt. Mach ic met eeren liden, Ic sal u henen laten riden, Als ic uwe name weet." Die swarte sprac: "ic ben bereet, In dien dat ghi mi maket vroet, Wat nootsaken dat u doet, Dat ghi hier quaemt te nacht. Ende wiens toren dat ghi wacht." Doe seyde karel, die edel man: "Segt mi tierst, ic segh u dan, Wat ic hier soecke ende jaghe. En dar niet riden bi daghe, Ten is sonder nootsake niet Dat ghi mi dus ghewapent siet. Ic sel u seggen hoet coemt, Als ghimi uwen name noemt, Dies sijt seker ende vast." "Heere ic hete elegast." Dat sprac die ridder herde saen. "Ten is mi niet ten beste vergaen. Ic heb goet ende lant verloren, Dat ic hadde hier te voren, Bi onghevalle als menich doet. Soudic u al maken vroet, Hoe mine saken comen sijn, Eer ic u geseyde den sin, Het soude u dencken veel te lanc. Mijn gheluc is so cranc." Als dit die coninc verstoet, Was hi blide in sinen moet, Dant al gheweest hadde sijn, Tgoet dat vloy opten rijn. Hij seyde: "ridder, eyst u bequame, Ghi hebt mi geseit uwen name, Segt mi nu hoe ghi u gheneert. Bi al dat god hevet weert, Ende bi hem selven te voren, Van mi en hebdi gheenen toren. Ic sal u so vele berechten, Vraachdijs mi sonder vechten Ende sonder evelen moet, In dien dag ghi mi maket vroet." "Nu, sijts seker ende vast, Heere," antwoerde elegast, "En wil u niet helen, Daer ic bi leve, moet ic stelen. Mer so vele isser an, En steels geenen armen man, Die bij sijnre pine leeft. Dat pelgrim ofte coopman heeft, Dies laet ic hem ghebruken wel. Mer ic en verseker niemant el. Sint dat ic was gheboren, Ende ic mijn goet had verloren, Daer ic bi soude leven, Ende mi die coninc had verdreven, Karel, uut minen lande, Ic sal segghen, al ist scande, So heb ic mi onthouden In wildernissen ende in woude. Daer si twalef bi leven, Moetent rike luden gheven, Bisschoppen ende canoniken, Abden ende moniken, Deken ende papen. Daer icse can betrapen, Ic neme haer goet met liste. En weet gheen so vaste kiste, Noch geen slot so vast, Here," sprac elegast, "Weet icker goet in, Ic brenct in mijn gewin, Ende onder mine ghesellen. Wat soudicker meer of tellen. Minen list is menichvout. Mine gesellen zijn int wout, Ende ic voer om aventure ... Ende heb vonden enen sueren, Want ic heb mijn swaert verloren. En coeser gheen have voren, Ende ict weder hadde gheheel. Der slaghen heb ic ooc een deel, Meer dan ic ie ghewan, Op eenen nacht van eenen man. Nu seght mi ridder hoe ghi heet, Ende die ghene die u veet. Is hi van sulker machte, Dat ghi riden moet bi nachte? En condise niet ghematen, Die ghene die u haten? Ghi sijt te wapen so goet." Die coninc pensde in sinen moet: God heeft mijn bede ghehoort. Nu moetti mi beraden voort. Dit is de man die ic begheerde, Boven alle die leven op daerde, Mede te varen op desen nacht. God heefter mi te poente bracht. Nu moet ic liegen door den noot, Biden heere die mi gheboot. Sprac die coninc tot elegast: "Aen mi hebdi gheleyde vast, Ghestade vrient ende vrede Ic sel u seggen mine sede. Wat helpt vrienden verholen, Ic heb so vele goets gestolen. Waer ic mitter helft gevaen, Men liet mi waerlic niet ontgaen, Om mijn gewichte van van goude root. Maer het dede mi den noot. Noot breket alle strijt." "Nu segghet mi ridder wie ghi sijt?" "Ic sel u segghen minen name, Ist u willen ende bequame. Ic ben ghehieten adelbrecht. Ic pleghe te stelen over recht, In kerken ende in clusen, Ende in alle gods husen. Ic stele alderhande saken. En late niemant met ghemaken, Den rijcken ende den armen. Ic en achte niet op hoer carmen. En weet gheenen armen man, Daer ic mijn ghewin weet an, En naem hem liever sine have, Dan ic hem die mine gave. Aldus heb ic mi ontdraghen, Ende hebbe gheleyt nauwe lagen, Om eenen scat die ic weet. Mi souts wesen wel ghereet, Eer emmermeer quame morghen vroe, Haddicker goede hulpe toe, Also vele als ics rochte, Ende mijn peert dragen mochte. Die scat is qualic ghewonnen. God en souts ons niet vergonnen, Al hadden wijs een deel. Die scat leyt in een casteel, Daer mi die jegenode is cont. Al hadden wijs vijfhondert pont. Ten mochten niet deeren, Dan wi vanden sinen teeren. Laet ons gesellen zijn te nacht, Dat wi connen bejaghen Onthier ende het sel daghen. Dan sel ic deylen ende ghi sult kiesen. Dies achter gaet moet riesen." Elegast seide: "Waer leit den scat? Lieve gheselle, segt mi dat, Ende in wat stede? Het mach daer sijn, ic vare mede. Ic wils wesen vroet, Eer ic u volghe eenen voet." Doen seide karel die edel man: "Ic sel u berechten dan. Die coninc heeft so groot een scat. Hem mochte luttel deeren dat Van sinen scatte, daer hi leghet." Als dit die coninc seghet, Datti hem selven stelen wille, Elegast en sweech niet stille. Hi seyde: "dat moet mi god verbieden! Sien leven niet, diet mi rieden, Dat ic den coninc dade scade. Al heeft hi mi bi quaden rade, Mijn goet ghenomen ende verdreven, Ic sel hem al mijn leven Goet vrient sijn na mijn macht. In sijn scade en coem ic te nacht, Want hi is mijn gherechtich heere. Dade ic hem anders dan eere, Ic mocht mi scamen voor gode. Men mochs mi gheraden node." Als dit de coninc verstoet, Was hi blide in sinen moet, Dat hem elegast, die dief, Goet gonste ende hadde lief. Hi pense, mochti keeren, Behouden sijnder eeren, Hi souden goets so vele geven, Hi souder mit eeren sijn daech op leven, Sonder stelen ende roven, Des moch men hem gheloven. Na dien gepense daer hi in was, Vraechdi elegaste das, Oft hien iewers wilde leyden, Daer si tgoet onder hem beyden Mochten bejaghen op dien nacht. Hi deder toe sijn beste cracht, Geerne ende sijn behendichede, Woude hi hem laten varen mede, Elegast seyde: "ja ic, gerne. Men weet niet, ghi segt in scerne. Theggericx van eggermonde Daer moghen wi stelen sonder sonde, Die des conincs suster heeft. Het is scade dat hi leeft. Hi heeft den menighen verraden Ende ghebrocht in groter scaden, Ende ooc mede sinen heere Soude nemen lijf ende eere, Mocht na sinen wille gaen. Dat heb ic wel verstaen. Nochtan houti vanden coninc Herde minich scone dinc, Beyde borch ende leen. Al en haddi toeverlaet gheen, Het mochten luttel deeren, Dat wi vanden sinen teeren. Daer selen wi varen, ist u wille." Die coninc peynsde ende sweech al stille: Na dat daer gescepen stoet, Dat daer ware stelen goet. Al hadden sijn suster ghevangen, Si souden node laten hangen. Dus droeghen si overeen, Daer te varen onder hem tween, Te stelen eggerics scat. Die coninc hem niet en vergat. Si quamen ghereden op een velt, Op haer orssen wel ghestelt. Daer vonden si een ploech staen. Die coninc beette neder saen. Ende elegast reet voren, Daer si den wech hadden vercoren. Die coninc namt couter in die handt, Dat hi aen den ploech vant. Hi pensde in sinen moet: Dat is ten ambacht goet. Die graven wil in borghen, Hi moeter toe besorghen, Sulke dinc als hem bedorste. Doe satti op al sonder vorste, Ende volchde elegaste Na met sporen vaste, Die een luttel was voren. Verstaet, so moechdi horen! Karel ende Elegast vers 193 t/m 694 Hij was in vele gedochten, Waer hi best henen varen mochte, Daer hi stelens soude beghinnen. Doe quam hi in een wout binnen, Karel den edelen man, Dat niet van verre stont van daen. Doen quam gereden daer, Die mane scheen seer claer. Die sterren lichten aenden trone. Dweder was claer ende scone. Dus peynsde die coninc: Ic was gewone, voer alle dinck, Dieve te hatene daer icse wiste, Die den lieden mit liste Hoer goet stelen ende roven. Nu mach ik hem wel gheloven, Die leven bider avontueren. Si weten wel, dat si verbueren, Lijf ende goet, machmense vaen. Met doetse hangen ende thooft of slaen, Of sterven arger doot. Horen anxte is dicke groot. Nemmermer en ghevalt mi dat, Dat ic man doer cleynen scat, Sterven doe in al mijn leven. Ic hebbe elegast verdreven, Om cleyne sake uut minen lande, Die dicke set sijn lijf te pande, Om tgoet daer hi bi leeft. Ic wane, hi dicke sorghe heeft. Hi en heeft lant noch leen, Noch ander toeverlaet geen, Dan hi mit stelen can bejaghen. Daer op moet hi hem ontdraghen. Ic nam hem tlant des was hi heere, Dat mach hem nu wel rouwen seere, Beide borch ende lant. Des was ic herde onbekant, Want hi hadde in sine scaren, Die met hem onthouden waren, Ridders, serianten, een ghetal, Die ic heb onterft al, Beyde van lande ende van goede. Nu volghen si hem al doer armoede. Ic en laetse niewers gedueren. Die onthilde, ic daden verbueren, Beyde borch ende leen. Hi en hevet toeverlaet gheen. Hi moet hem al onthouden In wildernisse ende in wouden, Ende moet alleene bejaghen, Daer si hem alle op ondraghen. Mer so vele isser an: Hi en steelt gheen armen man, Die bi sijnre pinen leeft. Dat pelgrim ofte coepman heeft, Laet hi hem gebruken wel. Mer hi en versekert neymant el. Bisscoppen ende canoniken, Abden ende moniken, Dekenen ende papen, Daer hise can betrapen, Comen si in sijnre verde. Hi neemt hem mulen ende peerde, Ende steectse uut haren ghereyde, Dat si vallen op die heyde Ende neemt hem mit sijnre cracht, Al dat si daer hebben bracht: Silver, cleeder, facelment. Dus bejaecht hi hem omtrent, Daer hi die rike lieden weet. Hy neemt hem haren scat ghereet Beyde silver ende gout. Sine list is menichfout. Nyemant en cannen ghevaen. Nochtan heefter om ghedaen Menich man sine cracht. Ic woudic nu in deser nacht Sijn gheselle mochte wesen. "Ay heere god helpt mi tot desen!" Mit deser talen voer hi voort, Die coninc, ende heeft verhoort, Hoe een ridder quam ghevaren Inder selver ghebaren, Als die riden wil verholen, Met wapenen swart als colen. Swart was helm ende schilt, Die hi aenden hals hilt. Sinen halsberch mochtmen loven. Swart was den wapenroc daer boven. Swart was dors daer hi op sat. Ende quam enen sonderlingen pat Dwers riden doer den woude. Alsen die coninc ghemoeten soude, Segendi hem ende was in vare, Ende waende dat die duvel ware, Om dat hi was so swart al. Den riken god hi hem beval. Hi pensde in sinen moet: Ghevalt mi quaet ofte goet, En vlie te nacht doer desen. Ic sel der avonturen genesen. Nochtan weet ic te voren wel: Tis die duvel ende niemant el. Waer hi van gods halven iet, Hi en ware so swart niet. Tis al swart, peert ende man, Al dat icker aen gemerken can. Ic duchte dat mi toren naket. Ic bidde gode dat hi waket, Dat dese mi niet en scende. Ende als hi bet quam ghehende, Ende die swarte heeft vernomen Den coninc tegen teghen hem te comen, Pensde hi in sinen sin: Dese is verdoelt hier in Ende hevet sinen wech verloren. Ic mach dat aen hem verhoren. Hi salder laten die wapen sijn, Die die beste sijn in schine Die ic in seven jaren sach. Si verlichten als den dach, Van steenen ende van goude. Wanen quam hi in den woude? Ten was noyt arm man, Die sulcke wapen droech an, Ende sulc ors hadde bescreden, So sterc ende van scone leden. Doen hi quamen te gemoeten, Leden si al sonder groeten. Deen besach den anderen wel, Mer si seyden niet el. Als hi den coninc was leden, Diet swart ors had bescreden, Hitl hi stille ende dochte, Wie die ander wesen mochte; Waer om dat hi aldus lijt, Ende sijnre talen aldus vermijt Datti mi niet en groete Doen hi mi ghemoete, Ende om gheen dinc en vraghet. Ic wane dat hi quaet jaghet. Waer ic seker van dien, Dat hi quame om verspien, Datti mi ofte mine Brenghen wilde in pine, Teghen den coninc die ic ontrade, Hi en lede te nacht sonder scade. Wat node soude hi jaghen Achter bosschen ende haghen, Ofti mi niet en sochte. Biden heere die mi gewrochte, Hine ontrijt mi te nacht. Ic sel proeven sine cracht. Ic willen spreken ende kennen. Hi mach sulc sijn, ic sel winnen Sijn ors ende dat hi hevet an. Ende doen met lachter keeren dan. Hi es hier comen als een domme. Met dien werp hi sijn ors omme, Ende volchde den coninc naer. Doen hien achterhaalde daer, Riep hi lude: "Ridder ontbeyt. Waer na ist dat ghi rijt? Ic wil weten wat ghi soect, Ende jaecht ende roect, Eer ghi mi ontrijt van hier. Al waerdi noch so fier, Ende so diere uwe tale, Berechtes mi, so doedi wale. Ic wil weten wie ghi sijt, Ende waer ghi vaert op dese tijt. Ende hoe dat u vader hiet. En machs u verlaten niet." Doen antwoerde die coninc: "Ghi vraget mi so menich dinc. En wistu hoe berechten. Dan ic u seide bi bedwanghe. So haddic gheleeft veel te langhe, Dat mi een man dwinghen soude Van dinghen die ic niet en woude Berechten, ten ware mi lief, Coemter mi goet af of miskief. Wy sullen desen strijdt nu scheyden, Ende becorten tusschen ons beyden. Des conincs schilt van verdect, Ons teyken datter aene stoet. Hi en wildes niet voeren ontdect, Om teyken datter aene stoet. Hi en wilde niet dat men waer vroet, Dat hi ware die coninc. Si worpen omme met deser dinc, Haer orssen sterc ende snel. Si waren beyde ghewapent wel. Hare speeren waren sterc. Si versaemden in een perc, Mit sulcken nide onder hen tween, Dat dorsen bogen over haer been. Manlic vingen si ten swaerde Als die vechtens begaerde. Si vochten een langhe wile, Datmen gaen mochte een mile. Die swerte was sterc ende snel, Ende sine consten waren fel, So dat die coninc was in vare Ende waende dat die duvel ware. Hie sloech den swarten opten schilt, Dien hi manlic voor hem hilt, Dat hi in tween stucken vloech, Oft ware een linden loof. Die swarte sloech den coninc weder. Die swerde ghingen op ende neder. Opten helme, op die maelgien, Datter menich moeste faelgien. Daer en was halberch gheen so goet, Daer en dranc dore dat bloet, Doer die maelgien uuter huyt. Daer was van slaghen groot gheluyt. Die spaenderen vanden scilde vloghen. Die helmen op hoer hooft die boghen Ende ontfingen scarde ende vlegghen, Se scaerp waren der swaerden eggen. Die coninc pensde in sinen moet Dese is te wapene goet. Hi bringhet mi in sulken noot, Mine help God, ic blive doot. Sal ic liden mijns namen Ic souts mi eewelic scamen. Nemmermeer en gecreech ic eere. Doe sloech hi eenen slach so seere, Opten swarten die voor hem hilt, Dat hien nalic hadde ghevelt, Ende vanden ors tumelen dede. Tusschen hem beyde en was gene vrede. Ende die swarte sloech opten heere Ende sloech enden slach so seere, Opten hel dat hi booch, Ende tswaert in twee stucken vloech, So anxtelic was die slach. Als dat die swarte sach Datte sijn swaert hadde verloren: "Tfy dat ic ye was gheboren", Pensde hi in sinen moet: "Dat ick leve, waer toe ist goet? En hadde noyt gheval, Noch nemmermeer en sal. Waer mede sal ic mi verweeren? En prise mijn lijf niet twee peeren, Want ic ben ydelre hande." Doe docht den coninc scande, Op eenen te slane die voor hem helt. Doe sach hi liggen tswaert opt velt An twee stucken ghebroken, Doe pensdi: en is niet ghewroken, Die eenen wille slaen of deeren, Die hem niet en can gheweeren. Dus hilden si stille int wout. Haer ghepeyns was menichvout, Deen wie dander wesen mochte. "Biden heere die mi ghewrochte," Sprac karel die coninc, "Ghi en berecht mi een dinc, Heer ridder, des ic u vraghe, Ghi hebt gheleeft al u daghe, Hoe ghi hiet of wie ghi sijt. Ende laet ons corten desen strijt. Mach ic met eeren liden, Ic sal u henen laten riden, Als ic uwe name weet." Die swarte sprac: "ic ben bereet, In dien dat ghi mi maket vroet, Wat nootsaken dat u doet, Dat ghi hier quaemt te nacht. Ende wiens toren dat ghi wacht." Doe seyde karel, die edel man: "Segt mi tierst, ic segh u dan, Wat ic hier soecke ende jaghe. En dar niet riden bi daghe, Ten is sonder nootsake niet Dat ghi mi dus ghewapent siet. Ic sel u seggen hoet coemt, Als ghimi uwen name noemt, Dies sijt seker ende vast." "Heere ic hete elegast." Dat sprac die ridder herde saen. "Ten is mi niet ten beste vergaen. Ic heb goet ende lant verloren, Dat ic hadde hier te voren, Bi onghevalle als menich doet. Soudic u al maken vroet, Hoe mine saken comen sijn, Eer ic u geseyde den sin, Het soude u dencken veel te lanc. Mijn gheluc is so cranc." Als dit die coninc verstoet, Was hi blide in sinen moet, Dant al gheweest hadde sijn, Tgoet dat vloy opten rijn. Hij seyde: "ridder, eyst u bequame, Ghi hebt mi geseit uwen name, Segt mi nu hoe ghi u gheneert. Bi al dat god hevet weert, Ende bi hem selven te voren, Van mi en hebdi gheenen toren. Ic sal u so vele berechten, Vraachdijs mi sonder vechten Ende sonder evelen moet, In dien dag ghi mi maket vroet." "Nu, sijts seker ende vast, Heere," antwoerde elegast, "En wil u niet helen, Daer ic bi leve, moet ic stelen. Mer so vele isser an, En steels geenen armen man, Die bij sijnre pine leeft. Dat pelgrim ofte coopman heeft, Dies laet ic hem ghebruken wel. Mer ic en verseker niemant el. Sint dat ic was gheboren, Ende ic mijn goet had verloren, Daer ic bi soude leven, Ende mi die coninc had verdreven, Karel, uut minen lande, Ic sal segghen, al ist scande, So heb ic mi onthouden In wildernissen ende in woude. Daer si twalef bi leven, Moetent rike luden gheven, Bisschoppen ende canoniken, Abden ende moniken, Deken ende papen. Daer icse can betrapen, Ic neme haer goet met liste. En weet gheen so vaste kiste, Noch geen slot so vast, Here," sprac elegast, "Weet icker goet in, Ic brenct in mijn gewin, Ende onder mine ghesellen. Wat soudicker meer of tellen. Minen list is menichvout. Mine gesellen zijn int wout, Ende ic voer om aventure ... Ende heb vonden enen sueren, Want ic heb mijn swaert verloren. En coeser gheen have voren, Ende ict weder hadde gheheel. Der slaghen heb ic ooc een deel, Meer dan ic ie ghewan, Op eenen nacht van eenen man. Nu seght mi ridder hoe ghi heet, Ende die ghene die u veet. Is hi van sulker machte, Dat ghi riden moet bi nachte? En condise niet ghematen, Die ghene die u haten? Ghi sijt te wapen so goet." Die coninc pensde in sinen moet: God heeft mijn bede ghehoort. Nu moetti mi beraden voort. Dit is de man die ic begheerde, Boven alle die leven op daerde, Mede te varen op desen nacht. God heefter mi te poente bracht. Nu moet ic liegen door den noot, Biden heere die mi gheboot. Sprac die coninc tot elegast: "Aen mi hebdi gheleyde vast, Ghestade vrient ende vrede Ic sel u seggen mine sede. Wat helpt vrienden verholen, Ic heb so vele goets gestolen. Waer ic mitter helft gevaen, Men liet mi waerlic niet ontgaen, Om mijn gewichte van van goude root. Maer het dede mi den noot. Noot breket alle strijt." "Nu segghet mi ridder wie ghi sijt?" "Ic sel u segghen minen name, Ist u willen ende bequame. Ic ben ghehieten adelbrecht. Ic pleghe te stelen over recht, In kerken ende in clusen, Ende in alle gods husen. Ic stele alderhande saken. En late niemant met ghemaken, Den rijcken ende den armen. Ic en achte niet op hoer carmen. En weet gheenen armen man, Daer ic mijn ghewin weet an, En naem hem liever sine have, Dan ic hem die mine gave. Aldus heb ic mi ontdraghen, Ende hebbe gheleyt nauwe lagen, Om eenen scat die ic weet. Mi souts wesen wel ghereet, Eer emmermeer quame morghen vroe, Haddicker goede hulpe toe, Also vele als ics rochte, Ende mijn peert dragen mochte. Die scat is qualic ghewonnen. God en souts ons niet vergonnen, Al hadden wijs een deel. Die scat leyt in een casteel, Daer mi die jegenode is cont. Al hadden wijs vijfhondert pont. Ten mochten niet deeren, Dan wi vanden sinen teeren. Laet ons gesellen zijn te nacht, Dat wi connen bejaghen Onthier ende het sel daghen. Dan sel ic deylen ende ghi sult kiesen. Dies achter gaet moet riesen." Elegast seide: "Waer leit den scat? Lieve gheselle, segt mi dat, Ende in wat stede? Het mach daer sijn, ic vare mede. Ic wils wesen vroet, Eer ic u volghe eenen voet." Doen seide karel die edel man: "Ic sel u berechten dan. Die coninc heeft so groot een scat. Hem mochte luttel deeren dat Van sinen scatte, daer hi leghet." Als dit die coninc seghet, Datti hem selven stelen wille, Elegast en sweech niet stille. Hi seyde: "dat moet mi god verbieden! Sien leven niet, diet mi rieden, Dat ic den coninc dade scade. Al heeft hi mi bi quaden rade, Mijn goet ghenomen ende verdreven, Ic sel hem al mijn leven Goet vrient sijn na mijn macht. In sijn scade en coem ic te nacht, Want hi is mijn gherechtich heere. Dade ic hem anders dan eere, Ic mocht mi scamen voor gode. Men mochs mi gheraden node." Als dit de coninc verstoet, Was hi blide in sinen moet, Dat hem elegast, die dief, Goet gonste ende hadde lief. Hi pense, mochti keeren, Behouden sijnder eeren, Hi souden goets so vele geven, Hi souder mit eeren sijn daech op leven, Sonder stelen ende roven, Des moch men hem gheloven. Na dien gepense daer hi in was, Vraechdi elegaste das, Oft hien iewers wilde leyden, Daer si tgoet onder hem beyden Mochten bejaghen op dien nacht. Hi deder toe sijn beste cracht, Geerne ende sijn behendichede, Woude hi hem laten varen mede, Elegast seyde: "ja ic, gerne. Men weet niet, ghi segt in scerne. Theggericx van eggermonde Daer moghen wi stelen sonder sonde, Die des conincs suster heeft. Het is scade dat hi leeft. Hi heeft den menighen verraden Ende ghebrocht in groter scaden, Ende ooc mede sinen heere Soude nemen lijf ende eere, Mocht na sinen wille gaen. Dat heb ic wel verstaen. Nochtan houti vanden coninc Herde minich scone dinc, Beyde borch ende leen. Al en haddi toeverlaet gheen, Het mochten luttel deeren, Dat wi vanden sinen teeren. Daer selen wi varen, ist u wille." Die coninc peynsde ende sweech al stille: Na dat daer gescepen stoet, Dat daer ware stelen goet. Al hadden sijn suster ghevangen, Si souden node laten hangen. Dus droeghen si overeen, Daer te varen onder hem tween, Te stelen eggerics scat. Die coninc hem niet en vergat. Si quamen ghereden op een velt, Op haer orssen wel ghestelt. Daer vonden si een ploech staen. Die coninc beette neder saen. Ende elegast reet voren, Daer si den wech hadden vercoren. Die coninc namt couter in die handt, Dat hi aen den ploech vant. Hi pensde in sinen moet: Dat is ten ambacht goet. Die graven wil in borghen, Hi moeter toe besorghen, Sulke dinc als hem bedorste. Doe satti op al sonder vorste, Ende volchde elegaste Na met sporen vaste, Die een luttel was voren. Verstaet, so moechdi horen! posted by Dr.D 9:42 AM Een legende van de Schotse Hooglanden zegt dat "niets sterft en dat na de chaos weer orde zal ontstaan. Er zal een nieuwe tijd anbreken en de dode helden zullen weer opstaan." Hoe valt anders het nieuwe leven van Rokson, de man van Malheig, te verklaren? De man die meer dan twintig eeuwen geleden werd gedood? posted by Dr.D 9:25 AM Heldenmoed bestaat in de ogen van de toeschouwer. posted by Dr.D 7:47 AM "Ik kan hier mijne voordragt eindigen, met welke ik minder heb willen betogen, wat, indedaad, voor Hollanders geen betoog vereischt, dan wel eenige denkbeelden en gewaarwordingen opwekken, wier herhaling altijd even nuttig als aangenaam is, omdat, gelijk alle liefde, zoo ook de liefde tot het vaderland, meest bij gevoel en verbeelding bestaat, en, dus, elker herinnering, die het vaderlandsch gevoel verheft, en den geest bij het vaderlandsche schoon bepaalt, altijd ook de vaderlandsliefde voedt, verlevendigt, en tot blijdere werkzaamheid aanzet." Isaac de Costa (1822), De Gaaf der Poëzy Gevoel, Verbeelding, Heldenmoed, Tot ééne ondeelbre kracht verbonden, Te zaam gesmolten tot één gloed, En door den boezem uitgezonden Op vleugelen van melody, Om al wat ademt te betoveren, Om al wat hart heeft te veroveren! - Zie daar de gaaf der Poëzy! posted by Dr.D 7:41 AM Gebeurt eens in het jaar. Ligt hij drie dagen ijlend te schreeuwen over Kuifje En De Verschrikkelijke Kut. Ik weet wel hoe het komt. Roel, die eigenwijze flikker, keek achterom toen hij geboren werd. Je pikt ze er zo uit. Foetusjes die 1 seconde na de uitdrijving omkeken en een gapende bonk rosbief in hun nek voelden, je haalt ze er zo tussen uit. De meesten zijn een weblog begonnen. (Porno en proza gaan prima samen) posted by Dr.D 5:51 AM Gebeurt eens in het jaar. Ligt hij drie dagen ijlend te schreeuwen over Kuifje En De Verschrikkelijke Kut. Ik weet wel hoe het komt. posted by Dr.D 5:50 AM Gebeurt eens in het jaar. Ligt hij drie dagen ijlend te schreeuwen over Kuifje En De Verschrikkelijke Kut. Ik weet wel hoe het komt. posted by Dr.D 5:49 AM 1/27/2002 +stop+ DOOIE HELD NEEMT TREIN OP TIJD! +stop+ posted by Dr.D 5:27 PM Dooie Held HEEFT DE PONSBAND NOG MEEGEMAAKT!!! posted by Dr.D 4:43 PM Ook ik ben slechts een slachtoffer Van de voortplantingsdrift,,, Later na geharrewar en de kift......... Geen duif of doffer, Geen genster maar een loffer!..... posted by Dr.D 4:32 PM They were summoned from the hill-side; They were called from the glen, And the Country found them ready At the stirring call for men. Let no tears add to their hardship, As the soldiers pass along, And although your heart is breaking, Make it sing this cheery song. Overseas there came a pleading, "Help a Nation in distress!" And we gave our glorious ladies, Honour bade us do no less. For no gallant Son of freedom To a tyrants yoke should bend, And a noble heart must answer To the sacred call of "Friend." Refrain: : Keep the Home-fires burning, While your hearts are yearning Though your lads are far away They dream of Home; There's a silver lining Through the dark clouds shining. Turn the dark cloud inside out, Till the boys come Home. :. posted by Dr.D 3:47 PM They were summoned from the hill-side; They were called from the glen, And the Country found them ready At the stirring call for men. Let no tears add to their hardship, As the soldiers pass along, And although your heart is breaking, Make it sing this cheery song. Overseas there came a pleading, "Help a Nation in distress!" And we gave our glorious ladies, Honour bade us do no less. For no gallant Son of freedom To a tyrants yoke should bend, And a noble heart must answer To the sacred call of "Friend." Refrain: |: Keep the Home-fires burning, While your hearts are yearning Though your lads are far away They dream of Home; There's a silver lining Through the dark clouds shining. Turn the dark cloud inside out, Till the boys come Home. :| They were summoned from the hill-side; They were called from the glen, And the Country found them ready At the stirring call for men. Let no tears add to their hardship, As the soldiers pass along, And although your heart is breaking, Make it sing this cheery song. Overseas there came a pleading, "Help a Nation in distress!" And we gave our glorious ladies, Honour bade us do no less. For no gallant Son of freedom To a tyrants yoke should bend, And a noble heart must answer To the sacred call of "Friend." Refrain: Keep the Home-fires burning, While your hearts are yearning Though your lads are far away They dream of Home; There's a silver lining Through the dark clouds shining. Turn the dark cloud inside out, Till the boys come Home. posted by Dr.D 3:37 PM Mijn lied strooit bloemen, op de doodsakker van heldenmoed. Vergeet mij nietjes, doordrenkt van bloed. Mijn lied strooit bloemen, op het veld der eenlingen. Vergeet mij nietjes voor helden, die nooit meer zingen. Anderen houden hoog hun lied, over heldenmoed, Eer en overwinning. Dode helden doen dat niet. Mijn lied strooit bloemen, op de doodsakker van heldenmoed. Vergeet mij nietjes, doordrenkt van bloed. Mijn lied weent, elke bloemknop schreeuwt in wanhoop. Roept om vrede, stop de moord. Mijn lied strooit bloemen, op het veld der eenlingen. Vergeet mij nietjes voor helden, die nooit meer zingen. Anderen houden hoog hun lied, over heldenmoed, Eer en overwinning. Dode helden doen dat niet. Mijn lied strooit bloemen, op de doodsakker van heldenmoed. Vergeet mij nietjes, doordrenkt van bloed. posted by Dr.D 3:09 PM Omdat de Dooie Held gebruik mag maken van de toetsen van Dr.D een link naar Link een link naar Dr.D een link naar Link een link naar Dr.D So! Dat is gebeurt! Nu maar klikken! Klikken mag! Klikken moet! Klikken is goed! posted by Dr.D 8:35 AM Dus zong de grijze Held wen een van 's vijands zonen Zich in den Bardendosch aan 't vierend heir kwam toonen. Hy wierp een speer ter aard' met afgebroken staal. Hy kwam uit Torlaths naam, en voerde Torlaths taal. Hy, Torlath, strijdbaar Hoofd van Legoos zwarte baren! ô Jongling, 'k zie de dood onzichtbaar om u waren. Hoe kort nog zwaait uw arm de forsche Legerspeer! posted by Dr.D 8:05 AM De slotsom is eenvoudig maar revolutionair: er bestaat een archetypische voorstelling van het leven van de Held, die symbolisch is weergegeven in drie verschillende mythische thema's. Het archetype is dat van een licht dat afdaalt van een mannelijk boven naar een vrouwelijk beneden, en vervolgens weer oprijst. De symbolische weergaven zijn de maagdelijke geboorte, de cultuurheld en de dood en wederopstanding. Het archetype en de symbolische uitdrukkingsvormen zijn universeel en het leven van deze Held is niet meer dan een Amsterdamse versie op deze universele mythe. Het eeuwenoude 'missionaris-dilemma', namelijk hoe het kan dat zulke gedetailleerde overeenkomsten met het ongeloof door missionarissen in alle delen van de wereld bij 'kleine meisjes' werd aangetroffen, is daarmee opgelost. posted by Dr.D 7:58 AM Negen en negentig van de honderd schrijvers bezwijken op die proef. Zij hebben opgang gemaakt met eene gelukkige schepping; hunne eigenliefde en de toejuigchingen hunner medeburgers dringen hem om strijd eene herhaling te beproeven; zij wagen zich aan een vervolg. Helaas, zij hebben zich misrekend. Het tweede baksel valt minder goed uit dan het eerste, en eene dubbele teleurstelling is het einde, voor den schrijver en voor het publiek. posted by Dr.D 7:44 AM 1. Kent gij dat volk vol heldenmoed En toch zo lang geknecht? Het heeft geofferd goed en bloed Voor vrijheid en voor recht. Komt, burgers! laat de vlaggen wapp'ren, Ons lijden is voorbij; Roemt in de zege onzer dapp'ren: Dat vrije volk zijn wij! Dat vrije volk, Dat vrije volk, Dat vrije, vrije volk zijn wij! 2. Kent gij dat land, zo schaars bezocht En toch zo heerlijk schoon; Waar de natuur haar wond'ren wrocht, En kwistig stelt ten toon? Laat ons feestlied schallen! Daar waar ons volk hield stand, Waar onze vreugdeschoten knallen, Daar is ons vaderland! Dat heerlijk land, Dat heerlijk land, Dat is, dat is ons vaderland! 3. Kent gij de Staat, nog maar een kind In's werelds Staten rij, Maar toch door't machtige bewind Weleer verklaard voor vrij? Edel was uw streven, En pijnlijk onze smaad, Maar de uitkomst heeft gegeven, Zij lof voor d'eigen Staat! posted by Dr.D 7:34 AM Het is een letterlijk vastklampen aan toekomstverwachtingen, die in de smeulende puinhopen nog verre van zichtbaar zijn. De begrafenissen en herdenkingsdiensten vullen nu de dagen. Dat rouwproces wordt draaglijker gemaakt met een typisch Amerikaanse reactie op de niet te bevatten omvang van de tragedie. Slachtoffers zijn ?True Heroes?, echte helden. In de Amerikaanse gemeenschap ben je al snel een held. Criteria lopen uiteen. Sporters zijn bij voorbaat al genomineerd. Lance Armstrong? Met afstand een ?True American Hero?. Niet omdat-ie drie keer op rij die wielerkoers won, maar omdat kanker werd overwonnen. Bovenmenselijke inspanning dus. Profatleten met waanzinnige contracten hebben heroische aura?s. Fans verwarren hun idolen wel eens met mensen die werkelijk wat hebben gepresteerd. Het is een letterlijk vastklampen aan toekomstverwachtingen, die in de smeulende puinhopen nog verre van zichtbaar zijn. De begrafenissen en herdenkingsdiensten vullen nu de dagen. Dat rouwproces wordt draaglijker gemaakt met een typisch Amerikaanse reactie op de niet te bevatten omvang van de tragedie. Slachtoffers zijn ?True Heroes?, echte helden. In de Amerikaanse gemeenschap ben je al snel een held. Criteria lopen uiteen. Sporters zijn bij voorbaat al genomineerd. Lance Armstrong? Met afstand een ?True American Hero?. Niet omdat-ie drie keer op rij die wielerkoers won, maar omdat kanker werd overwonnen. Bovenmenselijke inspanning dus. Profatleten met waanzinnige contracten hebben heroische aura?s. Fans verwarren hun idolen wel eens met mensen die werkelijk wat hebben gepresteerd. posted by Dr.D 7:22 AM Zoo staat een held in miezerige regen... Ontwapend, als een ridder zonder zwaard Die veel tournooien won, maar nu, verslagen Moet tonen aan d'anderen waren aard Besluit zich toch tot vluchten te verlagen Besluiten nam hij nimmer inpulsief: Een dienaar blijft de geest des Konings trouw De konsequenties nam hij graag voor lief Zelfs als dat hem ten zeerste schaden zou In plaats van nu de Koning te beschermen Doorziet hij plots de dwaasheid der Ethiek Waarom zou hij niet als de Koning leven Levend genieten en niet in doodsstrijd kermen De held stapt uit de donkere portiek Besloten niet aan Noodlot toe te geven posted by Dr.D 6:26 AM Asgardr ademt een en al rust, stil de Hal van de Einherjar, het feesten en vechten voorlopig voorbij. Maar in Breidablik brandt een licht, slaap ontsnapt heldere Balder, donkere dromen drijven door zijn nacht. Dan gaat de Vader van de Witte Ase, Wodan Eén-oog de Wijze, springt in het zadel van Sleipnír, rijdt naar het Rijk der Doden. Voorbij Garm gaat de Grijze, staat voor de Hal van Valla. Krachtige runen rist de Grijze; de reuzin herrijst uit haar hal. "Nog regen nog wind hebben mij gewekt, door sneeuw en hagel sliep ik nog, wie durft mij nu te wekken?" "Vegtam ben ik; Valtam, mijn Vader. Wie wordt nu in Hel's Hal verwacht? Wie is nu op weg naar haar?" "Voor Balder brouwen wij het gouden bier, zacht zullen de dekens voor zijn welkom zijn. Wodan's zoon zal zijn leven beroven, ongewassen en ongekamd, Rind's zoon zijn wreker. Maar nu zal ik zwijgen, jij bent niet Vegtam. Valvader ben jij, de Ase met één oog. Wees geëerd, Wodan, nu zal ik met niemand spreken tot Loki van de wraak der Asen verlost is." Voort vaart Frigga; door de Negen Werelden reist ze; eden van alles onder zon en maan eisen, beloftes voor de bescherming van Balder. Nog water nog wolf, nog vuur nog vogel, zullen haar zoon verwonden. Ziektes en slangen zullen hem sparen, hout en steen, aarde en ijzer alles legt de eed af hem nooit te kwetsen. Balders dagen blijken beschermd, de Witte Ase vreest geen verwondingen. Spelen ze in Asgard, speren werpen ze, met zwaard en steen word de Ase aangevallen, Balder's blote borst blijft ongedeerd. Lachen alle Asen, alleen Laufey's zoon niet; jaloezie en haat zit in zijn hart. Verandert de Sluwe zich in een oude vrouw. Vraagt hij Frigga "Waarom deze vreugde? Wie is de Held ? Een wonder, hij werd niet verwond!" "De held is de heldere Ase, Oude vrouw, belooft heeft alles Balder te sparen." "Vlijtige moeder, van alles heb je een eed geëist?" "Alle dieren, alle planten, alles in de Negen Werelden behalve een struik te jong om te beloven, de eed van de maretak wacht tot hij volwassen word." Listige Loki gaat terug naar de Thing; aan het spel amuseren zich alle Asen. Alleen blinde Hodr, Balder's broer, blijft buiten. "Waarom werp jij geen speer?" vraagt de Sluwe. "Mijn ogen kunnen mijn broeder niet vinden." Een pijl heeft Loki uit de onschuldige plant gevormd, legt het in Hodr's hand, helpt hem te richten door Balder's borst boort zich de dodelijke pijl. Alle Asen willen de afschuwelijke daad wreken Maar de heilige Vé van de Thing verbiedt het. Vali, geen dag oud, wreekt Balder, doodt Hodr; listige Loki, Laufey's zoon, blijft verdwenen. Vraagt Frigga "Wie wil naar Hel's Hallen varen weergeld voor Balder bieden voor zijn terugkeer?" Hermod de Dappere durft de daad aan, zadelt zijn vader's paard Sleipnír en rijdt uit. Groot is het rouwfeest; de Goden en Godinnen bereiden de boot voor Balder zijn brandstapel. Maar Hringhorni kunnen ze in zee niet zetten; hulp vragen ze aan de Reuzen, komt Hyrrokina. Een wolf rijdt ze, vier helden houden het beest. Met een krachtige duw zet ze het schip in zee, van de handvatten springen vonken van vuur, en de Aarde trilt tot op haar merg. Balders lichaam wordt aan boord gebracht; barst het hart van zijn vrouw in haar borst, naast de zoon van Wodan wordt ze gelegd. Strijdt Balder's paard voort, legt zich naast zijn heer. Draupnír ring der rijkdom, legt Wodan naast zijn zoon. Met Mjölnir zegent Thor zijn vriend's vaart. Omgegeven door schatten vaart Balder in vlammen voort, zijn laatste reis naar de Hallen van Hel. Dappere Hermod rijdt negen dagen en negen nachten; door donkere valleien rijdt hij naar de Onderwereld. Over de brug rijdt hij, meer geluid maakt hij, dan vijfhonderd krijgers die hem voor gingen. Voor de Poorten van Hel staat Hermod; springt Sleipnír over de poort, in Hel's Rijk staat hij. Tot de Hal rijdt de dappere held, de Grote Hal van de Koningin der Doden. Aan de hoge tafel ziet hij Balder zitten, naast hem Hodr de Stille en Nana. Biedt hij de Koningin weergeld aan voor de terugkeer van de Heldere Ase. Antwoordt Hel "Als alles onder de zon, de doden en de levenden, Balder bewenen zal Balder naar Asgard terugkeren, maar weent één niet, blijft hij in mijn Rijk." Door de hele wereld worden boodschappen gebracht, ver en breed word Balder beweent, maar de reuzin Thökk heeft droge wangen. "Dood of levend, wat goed deed Balder mij ? Hel mag houden wat ze heeft." In haar enorme grot weigert ze te wenen; maar de oude reuzin is Loki, de laatste list van Laufey's zoon posted by Dr.D 6:25 AM De 22 wetten van het opbouwen van jouw Helden Merk Online Seminar Leer samen met jouw Helden Coach hoe Radicale Helden de Regels Breken en een Helden Merk opbouwen dat past bij hun passies. Met helden als Majoor Boszhart, Frank Masmeijer en andere Helden Online Seminar dat je in jouw eigen tempo kunt volgen. posted by Dr.D 6:21 AM De Vernietiger of de Outlaw heeft de aantrekkingskracht van verborgen fruit. Het schijnt dat hoe meer we ons perfect gedragen en verantwoordelijk zijn, hoe meer we erna verlangen een Outlaw te zijn. We zien de Outlaw in haar meest positieve vorm in figuren als Robin Hood of Zorro. Zulke Outlaws vinden hun identiteit buiten de huidige sociale structuur en zijn trouw aan diepere, eerlijkere waarden dan de vigerende. Zulke Outlaws zijn romantische figuren, ... posted by Dr.D 6:18 AM Whoeaah! Het is een hele tijd gelee De mens was net op deze aard Geen vliegtuig vloog, geen auto reed En het wiel was lang nog niet vervaard Toen heerste er op deze kloot Wanorde, anarchie Geen wet die wat dan ook verbood Een ieder vogelvrie Maar ergens in 't knollenveld Daar groeide 's werelds eerste held Dat was Whoeaah! Dat was Whoeaah! Die de dinosaurus velde In een wei bij Hengevelde Dat was Whoeaah! Dat was Whoeaah! Die bij nacht z'n vrouwtjes telde In een wei bij Hengevelde Die het evenwicht herstelde De historicus vermeldde Een van onze eerste helden Dat was Whoeaah! Whoeaah! was het prototype Van hedendaagse helden Superman en Spidermiep 't Is een en al het zelfde Ze vliegen en ze vechten Voor Vrouw, God, Vaderland Men bevrijdt ons van 't slechte Met een Bavje in de hand Vergetend, nippend aan een glas Wie hun aller voorbeeld was Dat was Whoeaah! Dat was Whoeaah! Die de dinosaurus velde In een wei bij Hengevelde Dat was Whoeaah! Dat was Whoeaah! Die bij nacht z'n vrouwtjes telde In een wei bij Hengevelde Die het evenwicht herstelde De historicus vermeldde Een van onze eerste helden Dat was Whoeaah! Whoeaah! werd erg populair Vooral bij alle vrouwen Z'n brede borst zacht als een veer En een neus om van te houwen Ze vochten om een warme steen In z'n hunnebed Sabbelend aan z'n grote teen En giechelend van de pret Je hoort stiekum nog wel 's gillen Wat de vrouwen eigenlijk willen Dat was Whoeaah! Dat was Whoeaah! Die de dinosaurus velde In een wei bij Hengevelde Dat was Whoeaah! Dat was Whoeaah! Die bij nacht z'n vrouwtjes telde In een wei bij Hengevelde Die het evenwicht herstelde De historicus vermeldde Een van onze eerste helden Dat was Whoeaah!... posted by Dr.D 6:07 AM 1482, 16 jul, Sprong van Jan van Schaffelaar. opschrift: "Stoute daad van Jan van Schaffelaar" kunstenaar: Reinier Vinkeles (1741-1816) datering: techniek: gravure afmetingen: in: Kok, J., Vaderlandsch Woordenboek. Amsterdam, 1785-1799. GAB, hist.atlas nr. idem. opschrift: "Zoo werpt zich dappre Schaffelaar, Wijl niets zijn moedig opzet stuit, Tot redding zijner vriendenschaar, Den Barneveldschen toren uit." kunstenaar: Gerrit Oortman (1781-1822) datering: techniek: afmetingen: in: Muyt, P.N., Merkwaardigheden uit de Vaderlandsche Geschiedenis van vroegere tijden af, tot op den slag van Waterloo, enz. Zaltbommel, 1824; ook in: Merkwaardige tafereelen uit de Vaderlandsche geschiedenis, 1817. GAB, hist.atlas nr. idem toegeschreven aan: Caspar Luiken (1672-1708) datering: techniek: gewassen tek. in O.I.inkt afmetingen: VMN GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Henri Leeuw (1861-1918) datering: techniek: afmetingen: in: Oltmans, J.F., De Schaapherder. Rotterdam, 1893, deel IV, t/o blz. 73 GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Johann Wilhelm Friedrich Kachel (1826-1873) datering: techniek: tekening afmetingen: GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: (naar) Jan de Jong (1864-1901) techniek: gouache? afmetingen: GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Jan de Jong (1864-1901) techniek: pentekening? afmetingen: in: Oltmans, J.F., De Schaapherder. Rotterdam, z.j. GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Joh. Hilverdink (1813-1902) techniek: litho (Emrik & Binger) afmetingen: opschriften: "Jan van Schaffelaar; 1492; Kasteel Duurstede; Orgel uit de 15e eeuw; Een laatste nacht; Frans van Brederode." (schoolplaat uitgegeven door Gebr. van der Post te Utrecht en A. Ophorst te Wageningen. GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: O. Geerling techniek: afmetingen: in: Kievit, C. Joh., Een doodelijke sprong. in: Gouden Daden. Rotterdam, 1910. idem kunstenaar: J.H. Egenberger (1822-1897) datering: tussen 1850 en 1854 techniek: olieverf op doek afmetingen: 60 x 43 cm in: Galerij De Vos, Asd, Hist. Museum, cat.nr. 59; Atlas FM, nr. 329. GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Jan Bouman techniek: pentekening afmetingen: in: Bouman, Jan, Het merckwaerdigste meyn bekent [...]. Nieuwkoop, 1976, blz. 34 GAB, hist.atlas nr. 188. opschrift: "Student H.H. Kuyper te Kootwijk. Postkoets van de "onderneming v. A.Bram & Zn" Op de koets de teksten: "Timmergereed schap" en "Ziege zagen. Hottewagen. Wie wil er mee naar Kootwijk jagen?" afgebeeld in: GAB, hist.atlas nr. 1482, 16 jul, Sprong van Jan van Schaffelaar. opschrift: "Stoute daad van Jan van Schaffelaar" kunstenaar: Reinier Vinkeles (1741-1816) datering: techniek: gravure afmetingen: in: Kok, J., Vaderlandsch Woordenboek. Amsterdam, 1785-1799. GAB, hist.atlas nr. idem. opschrift: "Zoo werpt zich dappre Schaffelaar, Wijl niets zijn moedig opzet stuit, Tot redding zijner vriendenschaar, Den Barneveldschen toren uit." kunstenaar: Gerrit Oortman (1781-1822) datering: techniek: afmetingen: in: Muyt, P.N., Merkwaardigheden uit de Vaderlandsche Geschiedenis van vroegere tijden af, tot op den slag van Waterloo, enz. Zaltbommel, 1824; ook in: Merkwaardige tafereelen uit de Vaderlandsche geschiedenis, 1817. GAB, hist.atlas nr. idem toegeschreven aan: Caspar Luiken (1672-1708) datering: techniek: gewassen tek. in O.I.inkt afmetingen: VMN GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Henri Leeuw (1861-1918) datering: techniek: afmetingen: in: Oltmans, J.F., De Schaapherder. Rotterdam, 1893, deel IV, t/o blz. 73 GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Johann Wilhelm Friedrich Kachel (1826-1873) datering: techniek: tekening afmetingen: GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: (naar) Jan de Jong (1864-1901) techniek: gouache? afmetingen: GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Jan de Jong (1864-1901) techniek: pentekening? afmetingen: in: Oltmans, J.F., De Schaapherder. Rotterdam, z.j. GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Joh. Hilverdink (1813-1902) techniek: litho (Emrik & Binger) afmetingen: opschriften: "Jan van Schaffelaar; 1492; Kasteel Duurstede; Orgel uit de 15e eeuw; Een laatste nacht; Frans van Brederode." (schoolplaat uitgegeven door Gebr. van der Post te Utrecht en A. Ophorst te Wageningen. GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: O. Geerling techniek: afmetingen: in: Kievit, C. Joh., Een doodelijke sprong. in: Gouden Daden. Rotterdam, 1910. idem kunstenaar: J.H. Egenberger (1822-1897) datering: tussen 1850 en 1854 techniek: olieverf op doek afmetingen: 60 x 43 cm in: Galerij De Vos, Asd, Hist. Museum, cat.nr. 59; Atlas FM, nr. 329. GAB, hist.atlas nr. idem kunstenaar: Jan Bouman techniek: pentekening afmetingen: in: Bouman, Jan, Het merckwaerdigste meyn bekent [...]. Nieuwkoop, 1976, blz. 34 GAB, hist.atlas nr. 188. opschrift: "Student H.H. Kuyper te Kootwijk. Postkoets van de "onderneming v. A.Bram & Zn" Op de koets de teksten: "Timmergereed schap" en "Ziege zagen. Hottewagen. Wie wil er mee naar Kootwijk jagen?" afgebeeld in: GAB, hist.atlas nr. posted by Dr.D 5:45 AM In een het voorafgaande recaputilerend voorspel verklaren de drie noodlots-Nornen dat het einde van de wereld nabij is. Ook zij weten: dit is Wotans schuld. Brunnhilde en Siegfried hebben hiervan echter niet het flauwste vermoeden. De held moet erop uittrekken om nieuwe daden te verrichten en hij laat de ring als liefdespand bij Brunnhilde achter. Verbroedering met verradelijke mensen en de vloek van de ring zelf leiden er uiteindelijk toe dat ook dit voor elkaar bestemde, veelbelovende paar zich niet aan zijn noodlot kan onttrekken. Beiden verspelen zij hun laatste kans: Brunnhilde wordt door haar zuster Waltraute - tevergeefs - gesmeekt de ring aan de Rijndochters terug te geven; en als Siegfried deze fabelwezens nogmaals zelf ontmoet, hernieuwen zij hun bede - eveneens tevergeefs. Nu weet Hagen, de zoon van Alberich, de held op zijn enige kwetsbare plek dodelijk te treffen. Dan pas beseft Brunnhilde hoezeer zij bedrogen is, hoezeer zij, ja, de hele wereld van een potentieel geluk is beroofd, en zij werpt de ring terug in de Rijn. Zelf stort zij zich in een groot vuur, dat haar weer met haar dode held verenigt. De 'lachende dood' waarover zij met Siegfried aan het slot van de 'tweede dag' zong, is bewaarheid. Pas als de natuur van haar schuld gereinigd is - hetgeen wordt uitgedrukt door de muziek van de buiten haar oevers tredende Rijn - heeft zij de kracht en de ruimte om nieuw leven te creeren. posted by Dr.D 5:40 AM |
||
|
|
||
![]() |
||